INVESTIGATIONS & INTELLIGENCE

"All I Have Is a Voice to undo the folded lie" (W H. Auden)

Onzinnige valutaveiling

VRAAGSTUKKEN RONDOM DE VALUTAVEILING IN 2016.


Een beoordeling van een voorgenomen monetair beleidsinstrument (valutaveilingen door de CBvS) is onvolledig zonder een analyse van de macro-economische stand van de Surinaamse economie in relatie tot het begrotingsbeleid van de Surinaamse regering.
Een beoordeling van het beleidsinstrument zal dan ook plaatsvinden rekening houdend met bepaalde macro-economische factoren ter vaststelling of alsdan sprake zal zijn van goed dan wel falend beleid van de monetaire autoriteit.

Normen ontleend aan de monetaire economie:

1. Reële groei van de geldhoeveelheid
2. Reële groei van het Bruto Binnenlands Product
3. Groei van de publieke en private schulden
4. De geldontwaarding van de eigen valuta c.q. de inflatie

Een analyse van de ontwikkeling van bovenvermelde normen zal aangeven welk beleid is toegepast en of gegeven de kenbare ontwikkelingen daarvan de volgende vraag positief kan worden beantwoord, namelijk of de monetaire autoriteit een economisch beschouwd juist beleidsinstrument zal hebben toegepast: valutaveilingen ten behoeve van de realisatie van een ”stabiele wisselkoers” van de SRD ten opzichte van de US-dollar en de Euro. Hoewel de CBvS een vast wisselkoerssysteem handhaaft geeft het impliciet toe dat het sinds maart 2016 een vrij wisselkoerssysteem introduceert. Immers de valutaveilingen zullen wekelijks een nieuwe ”zwevende” wisselkoers effectief realiseren (hoewel de CBvS niet bij machte zal blijken te zijn de koers gedicteerd door de parallelle markt - dat dagelijkse fluctuaties kent - aan te kunnen passen: de monetaire autoriteit is volger in plaats van beleidsbepaler).


HET PROBLEEM: ”GELDVRAAG IS GROTER DAN GELDAANBOD”

De Surinaamse economie kenmerkt zich thans door een tekort aan vreemde valuta met als gevolg een depreciatie van de Surinaamse valuta (waardedaling van de Surinaamse valuta omdat de vraag naar vreemde valuta groter is dan het aanbod van vreemde valuta van het financieel systeem [banken en Cambio’s]) en een terughoudend devaluatiepolitiek van de Centrale Bank, terwijl de overheidsbestedingen (structurele begrotingstekorten in combinatie met corruptieve handelingen die geen groei van de reële productie van de sector overheid impliceren) voor een groot deel een verklarende factor vormt voor de ontstane prijsinflatie, in het bijzonder bestedingsinflatie in combinatie met prijsinflatie te kennen als kosteninflatie (Accijnsverhogingen, afschaffen Government take op brandstoffen, prijsstijgingen van goederen en diensten [loon-prijsspiraal, ongebreidelde winstbejag van ondernemers - roofbouw kapitalisme - en geïmporteerde inflatie] in de reële economie).

Teneinde het probleem op te kunnen lossen is een nadere precisering van het probleem in het (de) kernproble(e)m(en) noodzakelijk alsook een verdieping van het inzicht in de relatie tussen oorzaak en gevolg. Dit onderscheid is noodzakelijk ter voorkoming van het feit dat men een beleidsinstrument toepast dat feitelijk een afgeleid probleem, in welk geval sprake zou kunnen zijn van een gevolg ten opzichte van een oorzaak, aanpakt en dus de fundamentele oorzaak onaangetast laat. Beleid moet niet gericht zijn op symptoombestrijding maar het feitelijk probleem, de oorzaak ten grondslag liggende aan het gevolg/symptoom, oplossen.


Tabel 1. KERNPROBLEEM: OORZAAK EN GEVOLG

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Inkomsten

3.778,7

4.533,7

5.856,7

6.213,3

4.459,9

4.520,6

Uitgaven

4.890,6

5.257,5

6.856,1

6.969,8

5.303,1

4.969,8

Saldo

-1.111,9

- 723,8

-   999,4

-   756,5

-   843,2

- 449,2

Bron: Financiële Nota’s bij de diverse Begrotingsvoorstellen (in miljoenen SRD’s). Kanttekening bij staatsontvangsten: veelal sprake van staatskasfraude (zie www.suparr.com), verzwijging c.q. verduistering van staatsinkomsten. Kanttekening bij staatsuitgaven: veelal sprake van corruptieve handelingen die aldus bewijs leveren van het niet daadwerkelijk realiseren van een reële groei van de productie van de sector overheid. Bedenk dat de uitgaven een gemiddelde realisatiegraad van ongeveer 60 - 70 % heeft bedragen (ministers waren voornamelijk “poppetjes”, slechts de salarissen en kleine operationeel administratieve uitgaven werden gepleegd).

Expansieve overheidsuitgaven hebben plaatsgevonden zonder dat er sprake is van een reële groei van de productie van de sector overheid. De additionele overheidsuitgaven (hoofdzakelijk groei van de consumptieve uitgaven) bestaan voornamelijk uit subsidies: kinderopvang, openbaar vervoersubsidies, verhoging van de ambtenarensalarissen (FISO II in 2011) en staatspensioen. Investering in kapitaalgoederen (infrastructurele werken: een bruggetje te Powakka) is verwaarloosbaar.

Tabel 2. Schatkistpapier gehouden door Banks en Non-Banks (in miljoenen SRD)

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Banks

     59,5

     172,7

     155,5

   249,5

     346,0

   859,0

Non-Banks

     57,8

       58,4

       71,6

     82,0

       99,1

   142,9

Totaal

   117,3

     231,1

     227,1

   331,5

     445,1

1.001,9

Groei %

       -

  97,02 %

  -1,73 %

45,97 %

34,27 %    

125,10 %

Bron: Financial Stability Report, CBvS, oktober 2015.

Extra uitgaven voornamelijk gefinancierd door de Surinaamse financiële instellingen die omvangrijke kredieten aan de overheid (Schatkistpapier - groei van 334 % per 2014 t.o.v. 2010 - en andere kredieten) hebben verstrekt naast het effect van kredietschepping door leveranciers van goederen en diensten geleverd aan de overheid die gemiddeld genomen krediettermijnen van meer dan acht maanden - gedwongen - tegenover de regering moeten gedogen. De geldhoeveelheid in SRD’s is toegenomen (banken zijn veelal bereid vorderingen van betreffende leveranciers ”op te kopen c.q. contant te maken” door aan dezen nieuwe kredieten te verstrekken) zonder dat het aldus gekoppeld is aan een reële groei van de productie van de sector overheid (denk aan de lage realisatiegraad bij de overheidsuitgaven). De toename van de maatschappelijke geldhoeveelheid heeft ook als bijzondere oorzaak het verzwijgen c.q. het verduisteren van staatsinkomsten (zie: www.suparr.com).

Tabel 3. Geldhoeveelheid en Schuldpositie (in miljoenen SRD)

2010

2011

2012

2013

2014

Bankbiljetten in Omloop

   790,0

   821,9

   976,7

1.026,8

1.114,3

Geldhoeveelheid M1

3.003,8

3.546,5

4.305,3

4.466,5

4.650,4

     Groei M1

     --

 18,07 %

 21,40 %

 3,74 %

 4,12 %

Geldhoeveelheid M2

5.525,2

6.710,0

8.128,5

9.028,1

9.520,2

     Groei M2

     --

 21,44 %

 21,44 %

11,07 %

 5,45 %

Leningen aan:

De Overheid (nieuw)

   191,4

   -63,5

     -9,4

   525,5

1.291,5

Schuldpositie:

De Overheid

3.299,7

4.003,2

4.546,7

6.147,1

5.804,1

De Private sector

3.052,0

3.660,1

4.228,9

4.983,8

5.407,4

Groei Schulden

     --

10,89 %

17,32 %    

 30,57 %

 21,59 %

Bron: Bankbiljetten in omloop, jaarrapport CBvS 2010, 2011 en 2012. Financial Stability Report CBvS, oktober 2015, Website CBvS. Bankbiljetten in omloop anno 2015 bedraagt 1,124 miljard SRD, wekelijkse rapportage Balans van de CBvS, website van de CBvS. Bureau voor de Staatsschuld, Tabel 2015-3, d.d. 03-02-2016, website www.sdmo.org, Overheidsschuld ultimo 2015 is 8.751,8 miljard SRD.

De toegenomen geldhoeveelheid (Bankbiljetten in omloop en geldschepping door toegenomen kredieten in samenhang met kapitaallekken vanwege corruptieve handelingen) maakt dat op de markt voor vreemde valuta een overaanbod van SRD’s plaatsvindt tegenover een beperkt omvang van vreemde valuta. Aldus leidt de discrepantie van de vraag naar en aanbod van vreemde valuta tot depreciatie van de SRD en appreciatie van de vreemde valuta (in Suriname veelal benoemt te zijn de ”devaluatie” van de SRD op de informele markt c.q. parallelle markt, wat strikt economisch beschouwd als een onjuiste kwalificatie heeft te gelden).

Relevant voor de Surinaamse economie is te letten op de monetaire geldeenheid M1, dat is het totaal van de chartaal en het giraal geld in de economie. De relatief omvangrijke toename van M1 in 2011 en 2012 valt samen met de ’’voorspoedige’’ groei van de economie (”Windfall Profits”) dankzij de luchtbel in de olie- en goudprijs. In 2013 daalt de groei van M1 van 21,44 % naar 3,74 %, een daling van 83 % wat samenviel met een daling van de olie- en goudprijs (dat invloed heeft op de omvang van de toename van het nationaal spaarsaldo omdat ongeveer 90% van de export opbrengsten van Suriname daarvan afkomstig is) in de reële sfeer. Dit is een aanwijzing/bewijs dat het Bruto Binnenlands Product afneemt, en dus er logischerwijs geen sprake kan zijn van een groei van het BBP zoals dat door het ABS word gepubliceerd. Voorgaande stellingname is consistent met de toegepaste prijszetting van basisgoederen (april 2012, hieraan gingen prijsstijgingen vooraf) en daling van het saldo van de handelsbalans (de daling ving aan in 2011 en het werd sinds 2013 negatief), met andere woorden de economische krimp van de Surinaamse economie ving in 2012 aan. Opmerkelijk is dat de groei van M1 en toename van het BBP in 2011 en 2012 niet gepaard is gegaan met een toename van M2 (dit is M1 vermeerderd met de secundaire liquiditeiten: deposito’s en schatkistpapier met een looptijd tot 2 jaren). Dit duidt erop dat de bedrijven waarschijnlijk niet de ”windfall profits” op Surinaamse bankrekeningen hebben aangehouden (kapitaallek, o.a. zie Saldo Dienstenrekening in Tabel 5 hierna, een omvangrijke - op zichzelf beschouwt zeer ongeloofwaardige - wegstroming van kapitaal vanwege het ’’importeren’’ van diensten uit het buitenland). De relatief lage groei van M1 en M2 in 2013 en 2014 is consistent met een economische krimp en dus een daling van het BBP en de aanwezige marginale groei daarvan vindt zijn oorzaak in het toenemen van de schulden om de economische motor draaiende te houden. Echter deze groei van schulden is hoofdzakelijk door de overheid veroorzaakt maar het veroorzaakte geen wezenlijke groei van het nationaal product als bijdrage van overheidswege omdat in relatieve zin impactvol sprake is geweest van corruptieve handelingen. De extra toegenomen geldhoeveelheid vond zijn weg niet in de reële economie (dus geen groei van de nationale consumptie en/of productie) maar vormde vluchtkapitaal: toename van de vraag naar valuta terwijl het aanbod van valuta afnam dat mede blijkt uit het negatief worden van het saldo van de handelsbalans (daling ingezet in 2011 en een negatief saldo sinds 2013) en afname van de monetaire reserves van de Centrale Bank. Voorgaande feiten impliceren dat de geldgroei voornamelijk bestedingsinflatie teweeg zal hebben gebracht gekoppeld aan kosteninflatie vanwege importinflatie en prijsinflatie omdat de overheid kostprijsverhogende maatregelen had doorgevoerd.


Tabel 4. Bruto Binnenlands Product & Inflatie Suriname

2009

2010

2011

2012

2013

2014

BBP (SRD)

10,6 Mld

12,0 Mld

14,3 Mld

16,5 Mld

17,3 Mld

18,2 Mld

Groei BBP

 9,69 %

12,73 %

18,90 %

16,00 %

4,37 %

5,51 %

Inflatie

 1,30 %

10,30 %

15,30 %

 4,30 %

0,60 %

3,90 %

Reële Groei BBP

 8,28 %

 2,20 %

 3,12 %

11,2 %

3,75 %

1,55 %

Bron: Financial Stability Report CBvS (data afkomstig van het ABS), oktober 2015, Inflatie data ontleend aan de Website CBvS, februari 2016


Waarom de omvang van de gerapporteerde BBP- en inflatiecijfers als onbetrouwbaar c.q. onjuist moet worden gekwalificeerd?

Een analyse van enkele belangrijke macro-economische factoren geeft aan dat er een inconsistentie bestaat tussen factoren die economisch beschouwd een bepaalde samenhang vertonen, echter de economisch theoretische en empirische wetmatigheden blijken in Suriname - volgens data opgemaakt door het ABS en gebruikt door de regering en CBvS - niet van toepassing te zijn. Welnu, volharden dat de vermeende economische realiteit voor Suriname als voor ”waar” moet worden aangemerkt en dus dat de economische theorieën en empirische wetmatigheden hier geen toepassing vinden is hetzelfde als het beweren ”dat mijn buurman God is”, aldus onzinnige handelingen van het ABS en met als gevolg van de regering (of is de oorzaak gelegen in de hartstochten van het Hoofd van de regering? Wat denkt u?) en de CBvS!

De vermeende economische gedragingen die blijken uit de gerapporteerde macro-economische data:

Tabel 5: Economische data ABS/CBvS

2009

2010

2011

2012

2013

2014

BBP (SRD)

10.638.000.000

11.992.000.000

14.259.000.000

16.540.000.000

17.262.000.000

18.213.900.000

Groei BBP

 9,69 %

12,73 %

18,90 %

16,00 %

4,37 %

5,51 %

Saldo Goederen- rekening (US$)

     11.100.000

    686.200.000

     967.800.000

     706.700.000

     242.500.000

   133.000.000

Saldo Dienstenrekening

(US$)

       1.400.000

     -17.700.000

   -361.700.000

   -424.600.000

   -373.800.000

   -550.200.000

Saldo Handelsbalans (US$)

       12.500.000                

   668.500.000

     606.100.000

   282.100.000

   -131.300.000

   -417.200.000

Inflatie

1,30 %

10,30 %

15,30 %

 4,30 %

0,60 %

3,90 %

Reële Groei BBP

8,28 % 

2,20 %

3,12%

11,2 %

3,75 %

1,55, %

Bron: BBP ontleend aan Financial Stability Report, CBvS, oktober 2015. Handelsbalans data afkomstig van Tabel 15 ”Suriname: Balance of Payments”, CBvS, website CBvS, februari 2016: Saldo Goederenrekening is in 2015 negatief voor meer dan 375 miljoen US$. Saldo Dienstenrekening in 2015 is negatief voor meer dan 470 miljoen USD, aldus een negatieve handelsbalans van meer dan 845 miljoen USD en daardoor een negatief impact op het BBP-cijfer (er ontstaat een afname van het BBP).

In februari 2011 vindt er een devaluatie van de Surinaamse valuta plaats van ongeveer 20%. Dat gebeurde nadat al geruime tijd de SRD deprecieerde op de parallelle markt en dus al sprake was van importinflatie. Importinflatie (depreciatie van de SRD in combinatie met kostprijsverhogende maatregelen van de overheid) gaat altijd gepaard met een afname van het BBP gegeven het feit dat de loonstijging niet de prijsstijging had overtroffen (er trad een daling van de koopkracht op). ABS-publicaties dat de jaarinflatie van 2011 lager is dan het devaluatiecijfer moet als onhoudbaar worden aangemerkt. Immers, ondernemers zijn winstmaximeerders en zullen daarom de gestegen prijzen van goederen en diensten (kosteninflatie, prijsaanpassing door ondernemers is oude prijs vermeerderen met minimaal de omvang van de depreciatie en een extra winstmarge vanwege anticipatie op komende depreciaties) altijd op de consumenten afwentelen met meestal een afname van de economische transacties en veelal als gevolg daarvan een daling van het BBP.

In april 2012 is er vanwege de algemeen geconstateerde prijsstijging van regeringswege besloten dat er een bepaalde vorm van prijszetting (verkondiging van een fabel dat ondernemers vrijwillig meewerken aan de ”bevriezing” van de prijzen van sommige basisgoederen) moest worden toegepast voor de basisgoederen. Een bovenmatige stijging van het algemene prijspeil gaat, altijd empirisch in de economieën vastgesteld, gepaard met een afname van het BBP (meestal een afname van de transactie volume en omdat looninflatie - in het algemeen een jaar later - pas na prijsinflatie plaatsvindt. Voorts geldt dat de ratio van een acceptabele prijsinflatie van 2 % zoals dat door de centrale banken van Westerse economieën wordt gehanteerd tevens daarin is gelegen zich te richten op prijsstabilisatie ter voorkoming van een daling van het BBP). Verkondigen dat de jaarinflatie in een jaar dat men prijszetting (prijszetting leidde tot bevriezing van de gestegen prijzen, dus na toegenomen inflatie) afkondigde slechts 4,30 % bedraagt moet dan ook als onwaar c.q. als onhoudbaar worden bestempeld.

Vanaf 2013 pleegt de CBvS maandelijks interventies (o.a. sindsdien één van de oorzaken van de afname van de monetaire reserves van de CBvS) omdat de vraag naar valuta groter was dan het aanbod, echter de interventies hebben niet de volle vraag naar valuta bevredigd en dus vond er gelijktijdig met de interventies prijsstijgingen van goederen en diensten plaats. Zoals eerder opgemerkt zal de stijging van het algemene prijspeil leiden tot een afname van het handelsvolume en dus tot een afname van het BBP.

Vanaf 2013 tot en met 2015 vertoont de Lopende Rekening van de betalingsbalans een tekort (cumulatief meer dan 1,4 miljard US-dollar, waarbij de handelsbalans feitelijk sinds 2012 een substantiële daling vertoonde). Dat betekent dat de nationale bestedingen groter zijn dan het nationaal product, en dus dat het nationaal spaarsaldo negatief is. Er vanuit gaande dat de overheidsbestedingen (begrote uitgaven zijn door de regering BA nooit voor 100% uitgegeven - er was sprake van een gemiddelde realisatiegraad van ongeveer 60% - en zijn verminderd vanwege een daling van de staatsinkomsten [belastingen, royalty’s en dividend van de mijnbouwsector vanwege daling van de wereldmarktprijzen van goud en olie]) zijn afgenomen, dan betekent het een afname van de consumptieve bestedingen en/of investeringen in kapitaalgoederen van overheidswege en dat het als gevolg ook een daling van het bruto binnenlands product zal hebben veroorzaakt (dit effect is eerder besproken als gevolg van de afname van de groei van de geldhoeveelheid).

Kortom de economisch theoretische en empirische wetmatigheden rechtvaardigen te stellen dat de BBP- en de inflatiecijfers afkomstig van het Algemeen Bureau voor de Statistiek zeer aannemelijk als onjuist moeten worden gekwalificeerd. De feitelijke inflatie is veel hoger dan wat is gepubliceerd en gegeven een daling van de exportopbrengsten en een daling van het saldo van de handelsbalans is het aannemelijker te stellen dat het BBP moet zijn afgenomen. Dit alles impliceert dan ook een daling van de reële BBP met veelal negatieve groeicijfers van het nationaal product.

Een andere verklaring waarom het BBP- en het inflatiecijfer zoals deze door het ABS gepubliceerd als ongeloofwaardig moet worden bestempeld?

Indien het Bruto Nationaal Product toeneemt dan behoren de staatsontvangsten op grond van de heffing van Inkomstenbelasting eveneens toe te nemen gegeven het feit dat geen veranderingen hebben plaatsgevonden in de heffingsgrondslag noch in de toepasselijke heffingstarieven.

In onderstaand tabel wordt de samenhang tussen het BBP en de door de regering gerapporteerde ontvangsten van Inkomstenbelasting weergegeven.

In het algemeen heeft te gelden dat een structurele toename van het Bruto Binnenlands Product gepaard gaat met een toename van de beloningsfactoren voor arbeid- en ondernemingsprestaties. Dus een toename van de lonen en de winsten zal veroorzaken dat de heffingen van loon- en inkomstenbelasting ook toenemen ingeval sprake is van een toename van het BBP.

In Suriname heeft te gelden dat volgens de regering van Bouterse-Ameerali een andere wetmatigheid bestaat, namelijk een toename van het BBP gaat soms gepaard met een toename van de belastingontvangsten en soms gepaard met een afname van de belastingontvangsten terwijl geen veranderingen hebben plaatsgevonden in de grondslag van de heffing noch in de hoogte van de belastingtarieven. Paradoxaal en/of pseudologia fantastica?

Kortom, eerstens heeft te gelden dat de omvang van het BBP gepubliceerd door het statistiekbureau (ABS) als onwaar heeft te gelden. Een gedegen onderzoek zal uitwijzen dat de feitelijke BBP-cijfer veel lager zal zijn. Implicatie hiervan is dat de toegestane schuldquote al lang is overschreden en daardoor de Governor van de Centrale Bank van Suriname en de Minister van Financiën zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit, aldus kan voorgaande stelling niet worden uitgesloten.

Tabel 6. Realisatiecijfers heffingen Inkomstenbelasting

2009

2010

2011

2012

2013

2014

BBP (SRD)

10.638.000.000

11.992.000.000

14.259.000.000

16.540.000.000

17.262.000.000

18.213.900.000

Groei BBP

 9,69 %

12,73 %

18,90 %

16,00 %

4,37 %

5,51 %

Inkomstenbelasting

   878.000.000

   924.677.000

1.286.361.000

1.644.745.000

1.449.195.000

1.212.400.000

IB als % van BBP

      8,25 %

     7,71 %

     9,02 %

     9,94 %

     8,40 %

   6,66 %

Groei IB

             --

   5,32 %

   39,11 %

   27,86 %

-11,89 %

-16,34 %

Inflatie

1,30 %

10,30 %

15,30 %

4,30 %

0,60 %

3,90 %

Reële Groei BBP

8,28 %

 2,20 %

  3,12 %

 11,2 %

3,75 %

1,55%

Bron: Financiële Nota’s, Begrotingsvoorstellen en begrotingswetten betrekking hebbende op vermelde jaren. Inflatie ontleend aan de website van de CBvS.

Thans retorisch, als het waar is dat het BBP- en inflatiecijfer van het ABS een juiste weerspiegeling vormt van de stand van de economie, waarom vertonen de belastinginkomsten van de Staat geen daarmee overeenstemmende omvang?

Ook verwijst de volgende redenering naar een opmerkelijke zaak: Als het waar is dat het BBP van Suriname structureel is blijven stijgen en de overheidsbestedingen werkelijk tot consumptieve uitgaven en investering in kapitaalgoederen heeft geleid plus daarbij tot 2013 structureel overschotten op de Lopende Rekening van de betalingsbalans zijn vastgesteld, waarom heeft de Centrale Bank van Suriname geen revaluatie van de Surinaamse munt toegepast?

Conclusie.

Valutaveilingen vormen geen oplossingen voor het thans geldende probleem.

Het probleem is niet: de geldvraag naar valuta is groter dan het geldaanbod van vreemde valuta.

Nee!

Het probleem is: er is sprake van een overaanbod van SRD’s in relatie tot de reële economie, met als gevolg dat de bezitters van het teveel aan SRD’s (afkomstig van corruptie/staatskasfraude) een bovenmatige vraag naar valuta uitoefenen terwijl het aanwezige aanbod van vreemde valuta tekortschiet en dit aanbod in de nabije toekomst zal afnemen.
Het probleem is aldus: een overgroot aanbod van SRD’s. Een valutaveiling zal dit niet adresseren omdat de valutaveiling het tekort aan valuta niet zal kunnen beheersen en ook niet het overaanbod van SRD’s tegengaat.

Dus, de oplossing is niet: valutaveilingen. Daarin persisteren is feitelijk een mythe in stand houden, dus van koersstabilisatie zal nimmer sprake kunnen zijn nu het wezenlijke probleem ten grondslag liggende aan de voortdurende depreciatie van de SRD beleidsmatig onaangetast blijft bestaan.

De oplossing moet zijn: aanpak toegepaste corruptie en verbeurd verklaren van de grote omvang van SRD’s in handen van enkele strafplegers!

Eindconclusie.

De Centrale bank zal nimmer in staat blijken te zijn de - voortdurende en aldus onophoudelijke - depreciatie van de SRD te kunnen stabiliseren. Het gaat niet om het matchen van de geldvraag en geldaanbod van valuta. Het moet gaan om verbeurdverklaring van een grote omvang van SRD’s in handen van corrupte overheidsbestuurders en hun handlangers! Ik garandeer u dat de CBvS door toepassing van valutaveilingen niet in staat zal blijken te zijn de voorgenomen ”koersstabilisatie” te realiseren. Het beleid faalt!

THEMIS TERZIJDE: CRISISPLAN OF HERSTELPLAN

De oppositie heeft aangekondigd een crisisplan op te stellen en deze wel of niet aan de regering te zullen overhandigen.

Echter, onduidelijk is gebleken wat de crisis nu feitelijk zou zijn waarvoor men aldus een crisisplan wil opstellen.

DE SURINAAMSE CRISIS

De Surinaamse crisis kent het volgende onderscheid:

1. Het fundamenteelste probleem: onbekwaamheid en gewetenloos
2. Het fundamenteler probleem: disfunctionele overheidsapparaat
3. Het fundamenteel probleem: halfslachtige regeringsbeleid

Sinds de onafhankelijk van Suriname per 25 november 1975 kenmerkt de Surinaamse economie zich met het feit dat de waarde van de Surinaamse munt is gedaald met meerdere perioden van hyperinflatie. Deductief kan dan ook worden afgeleid dat de diverse Surinaamse regeringen niet bij machte zijn geweest een stabiele en voorspoedige economische ontwikkeling van het land te realiseren. Nu alle regeringen veroorzaakt hebben dat de Surinaamse munt onafgebroken in waarde is blijven dalen is het gerechtvaardigd te stellen dat ze naar het mij voorkomt Onbewust Onbekwaam en Bewust Onbekwaam zijn geweest: ze vernietigen de Surinaamse economie en daarmee het doel en de strekking van de Surinaamse Grondwet!

CRISIS IN HOOFDZAAK

Primair - dit is de fundamenteelste karakterisering - heeft te gelden dat de Surinaamse regeringen bij voortduring blijk geven van het zijn van onbekwame bestuurders en het niet hebben van een voldoend ontwikkeld (rechts-)geweten. Het blijken regeringen te zijn die feitelijk zeer corruptief gedrag hebben vertoond met als gevolg een overaanbod van de eigen valuta die vervolgens een niet economisch gedragen vraag naar vreemde valuta hebben veroorzaakt en aldus een depreciatie c.q. devaluatie van de Surinaamse munt hebben veroorzaakt.

CRISIS ALS BIJZAAK

Nu de onbekwaamheid en gebrekkig ontwikkeld geweten van de regeerders de hoofdoorzaken zijn van de teloorgang van de Surinaamse munt c.q. Surinaamse economie, heeft dit als gevolg dat het welvaart van het Surinaamse volk ook steeds wordt verminderd door een samenstel van de volgende oorzaken (zijn gevolgen van de hoofdoorzaken en aldus de fundamenteler problemen):

1. Staatskasfraude
2. Slecht ontwikkeld belastingmoraal
3. Zeer gebrekkig functionerend overheidsapparaat
4. Belastingdienst en Douane bemand door frauderende medewerkers
5. Zeer gebrekkig functionerend Openbaar Ministerie

Een belangrijk implicatie van het samenstel van deze oorzaken is dat men als gevolg heeft dat de staatsontvangsten onvoldoende blijken te zijn in relatie tot de stand van de economie en aldus - dit is het fundamenteel probleem in Suriname - geen ”good governance” aan de dag kan leggen.

Dus wilt men een crisisplan schrijven dan moet men een juist inzicht hebben in de oorzaken van de - vermeende - crisis. Pak men de oorzaken aan, pas dan zal sprake zijn van good governance. Echter, de volgorde van aanpak is beginnen bij het fundamenteelste probleem dat ertoe zal leiden dat de fundamenteler problemen worden aangepakt en daarmee het fundamenteel probleem als implicatie zal worden opgelost.

Hoe het fundamenteelste probleem op te lossen?

Een politiek leider die de hoogste graad van integriteit aan de dag kan leggen en die zich karakteriseert een visionair te zijn.
Een leider die zich aldus onderwerpt aan de Grondwet van Suriname: ”to serve the people to exercise the right to live in freedom and with dignity”!

Dus een crisisplan schrijven moet inhouden dat er een leider opstaat en zich committeert aan een plan van aanpak (=crisisplan) om de bestaande fundamentele problemen op te lossen.

Thans gaat het dan ook om de volgende vraag: Is de oppositie werkelijk consciëntieus of maakt het zich ook schuldig aan het opvoeren van volkstoneel?

Ter vermijding van het laatst genoemde is de volgende aanpak nodig.

Doelstelling crisisplan: handhaving van de Grondwet en dus realisatie van ”The right to live in Freedom and with Dignity”:

1. Wegsturen huidige regering.
    Zoek niet naar rechtvaardigingsbetogen.
    De huidige regering en het Hoofd van de regering zijn corrupt!
 De gedachte van inroeping ”burgerlijke ongehoorzaamheid” als de eigenverantwoordelijkheid van               de burger op te komen voor hun fundamentele rechten. Het volk is grotendeels angstig om in opstand te komen. De oppositie moet een oproep daartoe doen. De oppositie moet de verantwoordelijkheid op zich nemen de continue verkrachting van de rechtsstaat een halt toe te roepen;

2. Aanpak corruptie.
   Alle corruptie bestrijden.
Instelling van een Task Force (analoog aan de Troika die Griekenland nu ”informeel” bestuurd) met bevoegdheden om alle controle handelingen te verrichten om zodoende alle corruptief ontvreemde staatsgelden terug te krijgen.

Huidige fiscale wetgeving is voldoende om alle ontvreemde c.q. verduisterde gelden terug te halen met strafoplegging van de schuldigen;

3. Wetgeving t.b.v. ontslaan van 70% van de ambtenaren. Een sobere werkloosheidsuitkering bij wet in te stellen;

4. Toepassing belastingwetgeving en daarom aanpak van alle belastingontduiking. Er zijn in Suriname ongeveer 3000 tot 5000 miljonairs.
Negen miljonairs hebben samen meer dan 722 miljoen euro bij Zwitserse banken. Een IMF-lening zal heden ten dage altijd vergezeld gaan met de verplichting van Suriname deze belastingontduiking aan te pakken. Zonder deze aanpak geen IMF-lening te verwachten;

5. Uitspraak handhaving rechtsstaat c.q. onafhankelijke rechtspraak;

6. Afschaffing subsidies c.q. trapsgewijze afbouw van subsidies;

7. Investeringsplannen:

    A. Infrastructurele investeringen. Wegen en bruggen

    B. Huisvestingsplannen;

8. Invoering BTW-wetgeving;

9. Task Force om bestaande ambtenaren van de Belastingdienst en Douane
Te ”gijzelen” in hun werkzaamheden. Zie wat de Europese Troika doet in Griekenland. Deskundigen van de EU, de ECB en het IMF bepalen wat in Griekenland mag gebeuren. Ik weet dat het IMF een zelfde soort beleid aan Suriname heeft voorgehouden in ruil voor leningen;

10. Onafhankelijke Rekenkamer die eens voor het eerst de Surinaamse Grondwettelijke bepalingen dienaangaande respecteert en handhaaft;

11. Instelling Begrotingsbureau bij DNA bemand met deskundigen.
Voorkoming onzinnige c.q. valse begrotingspraktijken;

12. Onafhankelijke Hoofdbestuurders van:
 
    A. Centrale Bank van Suriname
    B. Planbureau
    C. CLAD
    D. Bureau voor de Staatsschuld

13 Een verbeterde Algemene Ziektekostenregeling. Aanpak exorbitante beloning van ziekenhuisspecialisten ter verlaging van de zorgkosten.

WHAT WE REALLY NEED:

Er valt nog meer te benoemen.
Een crisisplan is altijd op te stellen. But what it takes is an honest leader executing the highest level of integrity!